Verhaal

De keuken krijgt het koud

Auteur: 
Girbe Buist

Een bijzonder fenomeen dat vanaf eind jaren vijftig in sommige plattelandsstreken populair begon te worden, waren de diepvrieshuisjes.

Boeren en burgers beheerden een coöperatieve ruimte, waar iedereen een kast of kist kreeg om vlees van een eigen varken of koe en eigen groenten en fruit uit de tuin in te vriezen. Anno 2012 fungeert er in St. Isidorushoeve (Haaksbergen) nog steeds een uit 1959 daterend diepvrieshuisje; waarschijnlijk het laatste van Nederland. De teloorgang van het diepvrieshuisje hangt nauw samen met de grote veranderingen in het naoorlogse leefpatroon en met de gelijktijdige opkomst van de koelkast.

In Nederland is de koelkast een apparaat met een relatief korte geschiedenis. Hoewel de huishoudelijke koelkast hier al in 1925 werd geïntroduceerd, stond er in 1957 nog maar in drie van de honderd Nederlandse woningen een dergelijk apparaat. Oftewel: in 97 van de honderd woningen nog niet!

Zakelijk gebruik

In de vele eeuwen voor de uitvinding van de koelkast had men ijs nodig om iets te koelen. Kastelen en oude huizen van rijke mensen hadden vaak een goed geïsoleerde kelder. In fabrieken werd ijs gemaakt waartussen groente en fruit geen last hadden van de zon.

In 1805 werd de eerste koelkast ontworpen door de Amerikaan Oliver Evans. Een model is er nooit gekomen. Pas op de Londense Wereldtentoonstelling van 1862 werd voor het eerst formeel een koelkast gepresenteerd. Uitvinders in Engeland en Australië hadden  toen onafhankelijk van elkaar sedert vijfentwintig jaar aan ontwerpen voor koelsystemen gewerkt. Die waren echter allerminst bedoeld voor huishoudelijk gebruik. Voor de toenemende vleestransporten overzee was er dringend behoefte aan goede conservering tijdens de lange zeereizen. Daar lag de eerste omvangrijke toepassing.

Huishoudelijk gebruik

Uiteindelijk verschenen in 1879 de eerste koelkasten voor in huis. Ze waren erg duur, dus niet iedereen kon er een kopen. Daarnaast maakten ze veel lawaai, omdat ze door een stoompomp werden aangedreven. De Zweedse ingenieurs Baltzar von Platen en Carl Munters ontwierpen rond 1925 de eerste koelkast met een elektrische motor. Die maakte veel minder herrie en werd daarom allengs geliefder. 

De werking berust op het principe dat sommige vloeistoffen, zoals ammoniak, de neiging hebben te verdampen en daartoe warmte onttrekken aan de omgeving. Deze vloeistoffen worden rondgepompt in het koelsysteem van de koelkast.

Het Amerikaans bedrijf Elektrolux nam het ontwerp van Von Platen en Munters over en verkocht in 1936 wereldwijd al de miljoenste koelkast. Het waren voornamelijk Amerikaanse huishoudens die in de jaren dertig een koelkast aanschaften. Europa volgde met enige vertraging en in de tweede helft van de twintigste eeuw groeide de koelkast uit tot een onmisbaar element in ieder westers huishouden.

Opmars in Nederland

In 1957 was het tijdperk van de zelfbediening nog maar nauwelijks begonnen. Mensen gingen vooral naar de winkel om de hoek, vertelden wat ze nodig hadden en dat werd dan ingepakt en in een tasje gedaan.

Huisvrouwen deden vrijwel dagelijks boodschappen. Geen grote voorraden en zeker geen bederfelijke dingen. Ook werd er veel aan huis bezorgd door de bakker, de melkboer en de groenteman. De behoefte aan een koelkast was nog niet zo groot. Dat veranderde toen meer vrouwen gingen werken, huishoudelijke hulp wegviel, het bezorgen aan huis terugliep en aansluiting op het elektriciteitsnetwerk algemeen werd. Ook het fenomeen flatgebouw nam een hoge vlucht, met wooneenheden zónder kelder als koelmogelijkheid.

Inmiddels waren de supermarkten aan hun opmars begonnen, waardoor huisvrouwen voorraden gingen aanleggen. Vanaf eind jaren vijftig was ook Nederland rijp voor de koeling in de keuken en begon de koelkast, net als later de diepvriezer, gemeengoed te worden. Een koelkast kocht men in de plaatselijke witgoedwinkel die er steevast trots eentje in de etalage had staan. Naast een radio en een stofzuiger. 

Reacties

Onderdeel van het thema: