Verhaal

De moeizame eerste vijftien jaar – Nijverdal 175 jaar

Auteur: 
Dinand Webbink

‘In dit gehucht, waar men in den aanvang van 1836 naauwelijks eenige hier en daar verspreide woningen en het huis den Eversberg zag, staan thans eenige schoone fabrijkgebouwen en ettelijke nette huisjes, door boomgewas en heuvelen ingesloten, bij en langs het riviertje de Regge, hetwelk door een dal kronkelt, waaraan eigenaardig en kenschetsend de naam van NIJVERDAL is gegeven.’ Zo omschrijft Het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden van A.J. van der Aa uit 1846 het prille dorpje, inderdaad een gehucht, gelegen aan de nieuwe weg van Zwolle naar Almelo.

De aanleg van die weg rond 1830 was bepalend voor het ontstaan van het  textieldorp. De verbindingen over land en water waren in die tijd bar slecht en de nieuwe straatweg was dan ook een enorme vooruitgang. Zodanig dat een Engelse ingenieur, Thomas Ainsworth, de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) adviseerde om een agentschap met pakhuis te vestigen precies op de plaats waar de weg van Zwolle naar Almelo de Regge kruiste. Het Overijsselse riviertje was vanaf daar ‘redelijk bevaarbaar’, zodat goederen die via de weg waren aangevoerd over water richting Zwolle konden worden getransporteerd.

Een snelspoel en een arme Twentse jongen

De NHM was wel gedwongen een nieuwe plaats te vinden voor de fabricage van textiel, omdat de hele productie, die voornamelijk in Vlaanderen plaatsvond, door de afscheiding van België in 1830 voor haar verloren was gegaan. Er viel dus weinig meer te handelen. Om dat terrein terug te winnen had de directie haar blik laten vallen op het oosten van Nederland, waar de boeren al eeuwenlang het weven als huisvlijt beoefenden. De secretaris van de NHM, Willem de Clercq, werd naar Twente gestuurd, waar hij Thomas Ainsworth trof.

Ainsworths vader had een textielfabriek in Lancashire, maar het bedrijf was failliet gegaan en Thomas sr. Had zijn zoons Edward en Thomas jr. naar het continent gestuurd om daar als reizende ‘textielingenieurs’ hun kennis te verkopen. Na enkele zakelijke avonturen in Frankrijk, de Zuidelijke Nederlanden en de Zaanstreek was Thomas in Twente terecht gekomen, waar een tweetal textielfabrikanten van zijn technische knowhow gebruik ging maken.

Volgens de overlevering zou hij bij de beroemd geworden ontmoeting met Willem de Clercq in de zomer van 1832, in Hotel De Ster te Hengelo, tegenwoordig Grand Café ‘De Twee Wezen’, de historische woorden hebben gesproken: ‘Geef mij een snelspoel en een arme Twentse jongen en ik zal u in een korte tijd calicots leveren zoveel u wilt.’ Ainsworth stichtte vervolgens een weefschool in Goor, waar de boeren het weven met de snelspoel leerden. De onderneming werd een succes en de Twentse jongens produceerden, voor de Indische markt, inderdaad de calicots of ‘katoentjes’ waar het de NHM om te doen was.

Voor de distributie van de katoentjes zocht men nog een goede plek. In 1835 raadde Ainsworth de directie van de NHM aan daarvoor de havezate Eversberg te kiezen, gelegen ten oosten van het kruispunt van de Regge met de grindweg Zwolle-Almelo.

Houvendaal, Nijverheidsoord, Nijverdal

Vanaf die tijd ging het snel. Koning Willem I gaf toestemming voor de bouw van een pakhuis waar de goederen in ontvangst genomen en gekeurd konden worden, om vervolgens te worden verscheept. Voor de agent van de NHM werd een woning neergezet. Thomas Ainsworth kon een fabriekje bouwen met een modelweverij, geheel door de NHM gefinancierd.

De gebouwen moesten vlakbij de havezate Eversberg verrijzen, waar Ainsworth zijn intrek had genomen. Ze kwamen echter wel aan de andere kant van de Regge te staan, in de marke Noetsele, gelegen in de Sallandse gemeente Hellendoorn. De Maatschappij vond dat de nieuwe nederzetting een naam moest hebben, voordat de eerste schop de grond in ging.

Ainsworth stelde Houvenburg voor, zijn medewerker J.P. Freijs suggereerde Houvendaal, beide duidelijk bedoeld om president-directeur H.C. van der Houven van de NHM te plezieren. Die wilde daar echter niet van horen en vervolgens werden de namen Nijverheidsstede en Nijverheidsoord overwogen. De laatste leek het te worden, maar in de notulen van de directievergadering staat te lezen: ‘…om de naam der te bebouwen plaatsen voor de Weefschool bij den Eversberg voor te stellen van Nijverdal, in plaats van Nijverheids-Oord.’ Het was op het nippertje, want de notulist had al ‘Nijverheid’ geschreven, maar haalde de laatste lettergreep door en veranderde die in ‘dal’. Aldus werd op 9 mei 1836 Nijverdal gesticht in een statige directiekamer aan de Amsterdamse Herengracht.

Een valse start

Een paar dagen later werd de eerste steen van het ‘etablissement Ainsworth’ gelegd. Nadat de zaak eenmaal gereed was, bleef het succes voorlopig echter uit. Ainsworth was een begaafd technicus, maar hij had het (gebrek aan) zakelijk instinct van zijn vader geërfd, want ook met zíjn bedrijf ging het niet best. De geplande vlasspinnerij kwam niet van de grond, de kettingsterkerij voldeed evenmin aan de verwachtingen en van de modelweverij, bedoeld om Twentse textielfabrikanten van advies te dienen, werd teleurstellend weinig gebruik gemaakt.

Eenen hoogen trap van belangrijkheid?

Gelukkig had Ainsworth in Zaandam kennisgemaakt met Cornelis Kuyper, een energiek en kapitaalkrachtig zakenman, eigenaar van zeven verfmolens. Via Ainsworth raakte Kuyper geïnteresseerd in de ontwikkelingen in Noetsele. Ondertussen echter overleed Ainsworth – op 13 februari 1841, 46 jaar oud – aan de gevolgen van ‘een hevige bloedstorting’; een kleine zes jaar na de stichting van ‘zijn’ Nijverdal. Robert Campbell, de agent van de NHM, schreef aan zijn directie: ‘Het was deze week allertreurigst gesteld in Nijverdal, ieder liep met verslagen hart en tranen in de oogen.’ De Almelose entrepreneurs Godfried en Hein Salomonson condoleerden de NHM en roemden hun collega: ‘Hij immers was de zaaijer en voortplanter der Nijverheid; aan het voortbrengsel van zijn onvermoeide ijver … danken duizenden hun bestaan.’

Kuyper nam in 1844 het bedrijf van Ainsworths weduwe over, maar het bracht ook hem geen geluk. Een jaar later, bij een bezoek aan een kerkhof (!), brak hij zijn been en overleed hij aan de gevolgen daarvan. De weduwe Kuyper hield goede moed en zette het bedrijf voort, maar de zaken bleven slecht gaan. In 1849 besloot ze de hele handel te veilen. Kopers dienden zich echter niet aan. De fabriek werd stilgelegd en de arbeiders zochten elders hun heil. Het werd stil in Nijverdal. In zijn beschrijving van Nijverdal, nog geen tien jaar na de eerstesteenlegging had Van der Aa al door dat de hooggespannen verwachtingen in het nijvere dal niet werden waargemaakt. Hij merkte op: ‘Deze plaats scheen eenen tijd lang bestemd om eenen hoogen trap van belangrijkheid te bereiken. Moge de hoop daartoe nog niet geheel verloren zijn.’

Toekomst Nijverdal aan zijden draad

De Nederlandsche Handel-Maatschappij slaagde er evenmin in winst te maken, ook al waren er in 1839 maar liefst 14.000 ‘vrachtwagens’ de tol bij de brug over de Regge gepasseerd. Wat zal het toen een gezellige drukte zijn geweest bij de herberg die daar vlak bij stond. Maar vanaf 1840 werd de vraag naar katoentjes minder en was de eerste Twentse textielcrisis een feit. Bovendien was de concurrentie hevig.

Blijdenstein, Bendien en vooral de gebroeders Salomonson wisten zelf de weg naar Indië wel te vinden voor de door hen geproduceerde katoentjes. ‘…in de voorleden week heb ik met eigen oogen te Almelo gezien, dat de Gebrs Salomonson zich …onledig hielden met het gereed maken eener expeditie van ruwe calicots voor Java. Ongeveer dertig kisten zag ik voor het kantoor van de Heeren staan,’ schreef Robert Campbell in 1840. De agent van de NHM wilde wanhopig graag weg uit Nijverdal, het liefst naar Amsterdam. Toch behartigde hij de belangen van zijn werkgever bijzonder energiek en ging hij zelfs zover zijn toch al drukke baan te combineren met het burgemeesterschap van de gemeente Hellendoorn, waarbinnen ook Nijverdal lag.

In 1850 overwoog de Amsterdamse directie serieus het agentschap op te heffen. De ‘redelijk bevaarbare’ Regge stond ’s zomers nagenoeg droog en het vervoer over de weg was duur, te duur. De toekomst van Nijverdal hing aan een zijden draadje! De textielfabriek stond al stil en wat als de NHM ook nog zou vertrekken? Maar Campbell wist zijn directie op andere gedachten te brengen. Er waren plannen tot kanalisatie van de Regge en de NHM besloot het magazijn juist uit te breiden in plaats van het op te heffen. En zo werd Nijverdal veertien jaar na de grondvesting door een Engelsman, gered door Robert Campbell, eveneens een man met Britse roots.

Een succesverhaal

Vanaf die tijd ging het crescendo met Nijverdal. De textielindustrie trok weer aan en mevrouw Kuyper besloot haar bezittingen in Nijverdal opnieuw te koop aan te bieden. Dit keer met succes. De gebroeders Salomonson, de concurrenten van de NHM, kochten in 1852 de fabriek van Ainsworth op, sloopten alle opstallen en bouwden een geheel nieuwe stoomweverij.

De komst van de Salomonsons betekende de definitieve redding van Nijverdal. Het bedrijf kwam alle crisissen te boven en is een groot succesverhaal tot op de dag van vandaag. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw fuseerde de Koninklijke Stoomweverij met Ten Cate uit Almelo. In de jaren zestig en zeventig ging de textiel teloor. Overal in Twente en de Achterhoek legden de fabrieken het loodje. Maar niet in Nijverdal, ook al vonden er daar in die jaren massaontslagen plaats. Het bedrijf wist op tijd de bakens te verzetten en is nu een grote internationale speler op het terrein van innovatieve toepassingen van allerlei kunststoffen. Wie het profvoetbal in Nederland volgt, weet het. In Almelo ligt het eerste kunstgrasveld van de Eredivisie: geproduceerd in Nijverdal. Zo heeft het gehucht uit 1836 toch nog ‘eenen hoogen trap van belangrijkheid’ weten te bereiken.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in MijnStadMijnDorp Tijdschrift, nr. 2 – 2011.

Reacties