Verhaal

‘Ja vriend, we zijn eindelijk vrij.’ Frederik Gijsbert van Dedem en de Bataafse Revolutie

Auteur: 
Henk Boom

Frederik Gijsbert baron van Dedem (1743-1820) keerde eind 1793 voor enige tijd terug naar zijn kasteel De Gelder in Wijhe. Sinds 1785 was hij namens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ambassadeur in Constantinopel, het latere Istanbul. De baron kwam vooral om uit te rusten, maar aan de boorden van de IJssel volgde hij ondertussen wel nauwlettend de actuele ontwikkelingen in de roerige Republiek der Verenigde Nederlanden.

Het waren alarmerende berichten die hem op oudejaarsdag 1794 bereikten. Franse troepen hadden voor het eerst een oversteek gewaagd over het ijs van de Waal tussen Zuilichem en Brakel. De oversteek was mislukt. Enkele soldaten waren door het ijs gezakt ‘hetgeen hun genoodzaakt heeft van deze onderneming af te zien’, aldus het aan de baron opgestuurde bulletin.

Zorgwekkender nog was het nieuws uit Grave. ‘Den dapperen Generaal de Bons is eindelijk genoodzaakt geweest zich op discretie over te geven’. De 74-jarige, in Zwitserland geboren, generaal-majoor van ‘het brave garnizoen van Grave’ had gecapituleerd.

Na zeven lange jaren

Van Dedem volgde de berichten van dag tot dag. In Arnhem had hij zich verzekerd van een anonieme informant die hem dagelijks berichten van het front stuurde. Het was wikken en wegen. Alles wat Frankrijk was, had doorgaans zijn voorkeur gehad. Maar met de wetenschap dat de Franse adel na de revolutie van 1789 een kopje kleiner was gemaakt, had hij alle reden om zich zorgen te maken nu de Republiek in Franse handen dreigde te vallen.

Eigenlijk had Van Dedem na zeven tropenjaren als ambassadeur in Constantinopel even in alle rust willen genieten van een glaasje rood en een wandeling langs de IJssel. Sinds hij in het najaar van 1785 zijn geloofsbrieven aan sultan Abdülhamid I had overhandigd, was hem immers weinig rust gegund. Naast zijn hoofdtaak – het behartigen van de economische belangen van de Levantse Handel – was hij voortdurend geconfronteerd met ramp en tegenspoed.

Aardbevingen, de immer loerende pest, ‘ijsselijke branden’ die grote delen van Constantinopel in de as hadden gelegd, de zorgwekkende gezondheidstoestand van zijn echtgenote, de in de zomermaanden ondraaglijke hitte en bovendien hadden turbulente gebeurtenissen binnen en buiten de muren van het Topkapi Paleis, de Osmaanse regeringsveste, hem heel wat eelt op zijn ziel bezorgd.

Na een ongemakkelijke reis van bijna drie maanden per koets was hij op 27 november 1793 aangekomen in Wijhe. Het jaar daarvoor had Frankrijk de oorlog verklaard aan Oostenrijk. Een eerste poging om de zuidelijke Nederlanden te annexeren, was mislukt. Eenmaal in Wijhe kreeg Van Dedem volop mee hoe het Franse leger alsnog – langzaam maar zeker – oprukte naar het noorden. De in 1787 naar Frankrijk gevluchte Patriotten, onder leiding van Herman Willem Daendels, stonden te popelen om het revolutionaire vuur in de noordelijke Nederlanden aan te wakkeren. Overijssel was er klaar voor.

Roering in Overijssel

‘De Patriotten vormen in verscheidene provincies, zoals Overijssel en Utrecht, een overweldigende meerderheid’, had een Franse agent in december 1793 aan zijn revolutionaire opdrachtgevers in Parijs geschreven. Dat was kort nadat de veldtocht van generaal Charles-François Dumouriez vanuit de al veroverde Zuidelijke Nederlanden naar Brabant was uitgelopen op een smadelijke nederlaag. Wat Dumouriez niet was gelukt, kreeg generaal Jean-François Pichegru wel voor elkaar. Na de verovering van ’s-Hertogenbosch op 10 oktober 1794 volgden Maastricht en Nijmegen op 4 en 8 november. Al leek het daar nog niet op toen de Franse troepen arriveerden bij de grote rivieren, die als een schijnbaar onneembare barrière voor hen lagen. ‘Wat nu?’, zou Pichegru hebben gezegd, toen hij hiermee werd geconfronteerd. De natuur gaf antwoord. Ruim een maand later zorgde een plotselinge inval van extreme kou ervoor dat het Franse leger verder naar het noorden kon optrekken. Na enkele nachten met 17 graden vorst lag er genoeg ijs op de Waal om de overtocht te kunnen maken. ‘Une gelée funeste’ zou Willem V later zeggen.

Korte tijd later, op 17 januari 1795, werd Utrecht veroverd. Een dag later vluchtte stadhouder Willem V naar Engeland. Twee weken nadien werd in Zwolle rondom de vrijheidsboom op de Grote Markt gedanst. Een paar dagen later was Deventer aan de beurt. Een revolutionair comité onder leiding van Hendrik Arnold van Marle trok in optocht naar het stadhuis. Om bloedvergieten te voorkomen restte het zittende stadsbestuur, dat in 1787 aan de macht was gekomen, niets anders dan op te stappen. Daags daarna werd ook op de Brink gedanst rondom de vrijheidsboom.

Op 31 januari 1795 ontving Van Dedem een brief van een anoniem gebleven vriend uit Den Haag. ‘Ja vriend, we zijn eindelijk vrij’, luidde de aanhef. Uit de brief kan worden afgeleid dat de auteur behoorde tot het comité van waakzaamheid en dat hij op zijn beurt een niet bewaard gebleven brief van Van Dedem had ontvangen. ‘Uw brief heb ik bij onze volksrepresentanten voorgelezen. Die waren daarover zeer voldaan omdat ze in uw woorden dezelfde ijver voor de goede zaak der vrijheid ontwaarden. De enige voorschriften waren de vrijheid en gelijkheid in deze republiek te vestigen door het uitroeien van alle onkruid dat daartoe schadelijk is.’

Die brief lijkt op het eerste gezicht strijdig, maar juist dit laveren door het midden was kenmerkend voor Van Dedem, die ook zelden het achterste van zijn tong liet zien. Er zijn tal van voorbeelden te noemen van zijn Fransgezindheid, maar tegelijkertijd ook van zijn patriottisme. Op beide valt het nodige af te dingen.

‘Opportunisme’, zou tegenwoordig de conclusie zijn, maar dat is een gevaarlijk woord om te projecteren op de tijd waarin hij leefde. De kenner van de adelsgeschiedenis Albert Mensema zegt over deze houding dat elke baron zijn politiek en zijn ideologie nu eenmaal baseerde op het belang van zijn landgoed en zijn familie. In zijn boek Windvanen noemt Matthijs Lok het ‘de strategie van de actieve afzijdigheid.’

De euforie over de Franse ‘bevrijding’ was van korte duur. De strenge winter en de oorlog hadden diepe sporen getrokken in het sociale leven achter de dijken. Landerijen waren onder water gelopen en daarna veranderd in ijszeeën. Een groot deel van de aardappeloogst was verloren gegaan. ‘In Twente’, schrijft Simon Schama in zijn boek over patriotten en bevrijders, ‘werd naar verluidt boomschors en gierst gegeten. Bijna eenderde van de streekbevolking bezweek aan de honger.’ Tot overmaat van ramp eiste het Franse leger voor kapitalen aan hooi, stro, haven, brood en vee op. Het kwam de verstandhouding niet ten goede. En al helemaal niet toen de Franse soldaten zich te buiten gingen aan plunderingen van winkels in Zutphen en Zwolle.

Tegelijkertijd herleefden de oude veten tussen enerzijds Zwolle, Deventer en Kampen, de drie steden waar de vergaderingen van Provinciale Staten doorgaans hadden plaatsgevonden en anderzijds de bewoners van het platteland die het meest hadden te lijden in de hongerwinter. Het volk morde, vooral in Twente dat driedubbel werd geplaagd. Eerst hadden Engelse soldaten die zich hadden teruggetrokken tot over de Duitse grens de regio geplunderd. De Franse soldaten deden het nog eens dunnetjes over. Met als gevolg dat na de hongerwinter in het voorjaar van 1795 niets meer op het land stond en er geen koe of varken meer was overgebleven. In Almelo, Hengelo, Enschede en Ootmarsum, plaatsen waar de herinnering aan de gehate drostendiensten nog vers in het geheugen lag, leidde dat tot oproer tegen de nieuwe machthebbers.

Einde van Ridderschap en Steden

De Franse bezetting had ook bestuurlijke consequenties. Op 5 februari 1795 kwam er een einde aan het bewind van Ridderschap en Steden in de Staten van Overijssel. Eerst drongen tien afgevaardigden van het platteland van Overijssel de Statenvergadering binnen. Er waren twee edelen bij, de riddermatige Joachim Ernst Mulert tot de Leemcule en de kort tevoren uit de Ridderschap geweerde Gijsbert Lucas Geerlig van Fridagh. Op luide toon en tot verbazing en ergernis van de aanwezigen lieten de indringers weten dat zij zich beschouwden als de vertegenwoordigers van het ‘volk van het platteland en kleine steden dezer provincie’ en zij verzochten de leden van de Ridderschap de vergadering te verlaten. De voorzittende drost van Salland, Derk Bentinck tot Diepenheim, verzette zich aanvankelijk met de opmerking dat de verklaring een onwettig karakter had. Maar uiteindelijk restte hem niet anders dan aan deze eis te voldoen. Hij nam afscheid met de wens dat God zijn ‘beste zegeningen over de dierbaarste Panden van deze Provincie en derzelver goede Ingezetenen’ niet zou onthouden. De aanwezige riddermatige edelen sloten zich daarbij aan. Onder hen bevond zich Van Dedem die de kans greep om zijn stem nog één keer te verheffen in de Provinciale Staten van Overijssel. Hij was vertoornd omdat men de Ridderschap ontzette uit ‘de haar sedert ondenkbare tijden toegekende privileges en erfrechten.’ In zijn verklaring stelde hij dat er ‘geen schaduw van blijk of bewijs voorhanden was’ dat er sprake was van een diep verlangen van het volk en dat de genoemde indringers ‘de stem des volks’ vertegenwoordigden.

Veel bijval kreeg Van Dedem niet. De gedeputeerden van Deventer, Zwolle en Kampen lieten aantekenen dat zij zich niet wensten in te laten ‘met deze deliberatie’ van de ambassadeur. Zo eindigde voor het gewest Overijssel de regering van Ridderschap en Steden. Deelname aan het bestuur op basis van adellijke geboorte was er niet meer bij. De regering werd overgenomen door de Provisionele Representanten van het volk van Overijssel. ‘Gij zijt vrij. Gij zijt gelijk’, werd overal geroepen.

Met de leus ‘vrijheid en gelijkheid’ ging de Bataafse Republiek van start. Maar tegelijkertijd begon daarmee een periode van politieke onzekerheden op een moment dat Van Dedem zijn koffers al weer pakte om Wijhe te verlaten en terug te keren naar Constantinopel.

*Dit artikel is eerder gepubliceerd in Mijn Stad Mijn Dorp, Historisch Tijdschrift voor Overijssel, jaargang 3, nummer 1, maart/april 2012.

Reacties