Verhaal

Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam (1692-1766): de ontmaskerde meester

Auteur: 
Aafke Brunt

In 1740 verscheen in Den Haag onder de titel VI. Concerti Armonici een bundel met zes werken voor strijkinstrumenten en de begeleidende, ondersteunende partij in barokcomposities, de ‘basso continuo’. Deze uitgave was opgedragen aan een graaf Bentinck en uitgegeven door C. Ricciotti. De naam van de componist ontbrak. De muzikale meester wenste anoniem te blijven. De uitgever vermeldde dat de ‘concerti’ afkomstig waren van een ‘Illustre mano’, een ‘vermaarde hand’. Meer gaf hij niet prijs. De componist, zoveel was wel duidelijk, was van hoge afkomst. 

Na een periode waarin de succesvolle compositie werd toegeschreven aan de uitgever Carlo Ricciotti (1675/1681-1756) raakten de concerti in de vergetelheid. Toen rond 1830 de belangstelling voor barokmuziek weer opleefde, werden de heruitgaven van de partituren van de Concerti Armonici te boek gesteld op naam van bekende componisten als Händel en Pergolesi. Aan de laatste, de Napolitaanse componist Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736), waren, ondanks zijn korte leven, zó veel werken van een verschillend karakter toegeschreven, dat rond hem een veelzijdigheidsmythe kon ontstaan. Gaandeweg werd hij bestempeld als dé componist van de Concerti Armonici. Maar er klopte iets niet, want de schoenmakerszoon Pergolesi kwam uit zeer eenvoudige kringen.  

De bibliotheek van Twickel

De sleutel die zou leiden tot de ontmaskering van de ware meester bleef 240 jaar verscholen in de bibliotheek van de graven Van Wassenaer Obdam. Na de verkoop in 1816 van hun huis aan de Kneuterdijk in Den Haag verhuisde het deel dat er van hun boeken resteerde naar Delden, waar de familie kasteel Twickel bezat.

Hier trof de musicoloog Albert Dunning in 1980 een manuscript aan met een voorwoord in het handschrift van de eigenaar van Twickel, Unico Wilhelm graaf van Wassenaer Obdam (1692 – 1766). Hoe was de in 2005 overleden muziekwetenschapper op de gedachte gekomen om op zoek te gaan in de bibliotheek van Twickel? Voor deze onderzoeker, die volgens zijn eigen woorden was toegerust met een grote ‘Kombinationsgabe’, was het ook een kwestie van een beetje geluk. Uit de opdracht van de eerste uitgave in 1740 had hij afgeleid dat de componist een adellijke vriend was van graaf  Willem Bentinck (17041774). Het kwartje viel, toen Dunning op vakantie in Frankrijk iemand ontmoette, die hem vertelde dat hij tijdens een beschrijving van de bibliotheek van Twickel een muziekmanuscript uit de achttiende eeuw had aangetroffen. Dunning wist al dat Bentinck in de wintermaanden een huis bewoonde aan het Haagse Voorhout en dat hij daar een vriendenkring ontving waarin ook Unico Wilhelm van Wassenaer verkeerde. Hij trok dus naar Twente.

Het manuscript dat hij daar aantrof, leverde het bewijs. In het eigenhandige, in het Frans gestelde voorwoord van Van Wassenaer stonden de woorden die het mysterie ontsluierden.

‘Partituur van mijn concerten, gedrukt door de heer Ricciotti, bijgenaamd Bachiche. Deze concerten zijn op verschillende tijdstippen gecomponeerd in de jaren 1725 en 1740. Al naar gelang zij klaar waren, bracht ik ze naar het Concertgezelschap in Den Haag, dat door de heren Bentinck, mij en enige buitenlandse heren was opgericht. Genoemde Bachiche speelde er de eerste viool. Ik stond hem toe successievelijk kopieën  te maken. Toen het halve dozijn vol was, vroeg hij mij toestemming deze te drukken. Op mijn herhaalde weigering riep hij de hulp in van de heer Bentinck van Rhoon, aan wiens sterke aandringen ik ten slotte heb toegegeven, op voorwaarde echter dat mijn naam er beslist niet op zou voorkomen.’

Bentinck, zo gaat het voorwoord verder, stelde voor de werken aan hem op te dragen. Zo werden de concerten tegen de aanvankelijke bedoeling van de componist in toch gepubliceerd. Andere aanwijzingen ondersteunden het bewijs, dat het stuk moest worden toegeschreven aan graaf Unico Wilhelm. 

Veel muziek, veel thee en koffie

Verwijzingen naar ‘het Concertgezelschap in Den Haag’ komen ook voor in het archief van de hertogin van Portland. Zij was de moeder van de beide ‘Heren Bentinck’. Na het overlijden van haar echtgenoot Hans Willem Bentick had zij aan graaf Johan Hendrik van Wassenaer gevraagd om de voogdij op zich te nemen over haar beide zoons. Van hen zou Willem de Hollandse goederen van zijn vader erven en zou Charles opvolgen in Overijssel. De beide broers gingen in Leiden studeren, waar zij omgingen met Johan Hendriks jongere broer, Unico Willem van Wassenaer. Na de studiejaren werd de vriendschap voortgezet in Den Haag.

Brieven aan de hertogin van Portland maken melding van wekelijkse muziekavonden van de broers Bentinck met Unico Wilhelm van Wassenaer, zijn vrouw, zijn zusjes en enkele buitenlandse heren, waaronder een prins uit Moskou, de Franse ambassadeur en de prins van Nassau-Siegen. Het gezelschap vermaakte zich uitstekend: On eut beaucoup de musique, beaucoup de Thé et de Caffé. Willem Bentinck en zijn vriend Unico kregen beiden les van Carlo Ricciotti, die tijdens de uitvoeringen de eerste viool speelde. De organist Quirinus van Blankenburg gaf de beide vrienden les op het klavecimbel. Hun spel was ongetwijfeld van hoog niveau.

Het voorwoord van de Partituren had in feite al bewezen dat Van Wassenaer de componist was. Degenen die daaraan nog twijfelden, omdat de maker van het meesterwerk uit het niets was verrezen, moesten hun ongelijk accepteren, toen Dunning in 1992 in een bibliotheek in Rostock drie sonates voor blokfluit en basso continuo van diens hand ontdekte. Daarmee was de meester definitief ontmaskerd.

Het verhaal van Aafke Brunt is eerder gepubliceerd in MijnStadMijnDorp Tijdschrift, nr. 5-6 november-december 2012. Aafke Brunt is archivaris van het huisarchief Twickel. www.twickel.nl 

 

Concerti Armonici uitgevoerd door The Amsterdam Baroque Orchestra o.l.v. oud-Zwollenaar Ton Koopman.

Reacties