Verhaal

‘Vragen, daar ben wij niet bij opgebracht’ De Steenwijkse Vereniging ter Bestrijding der Bedelarij

Wie tegenwoordig door Steenwijk loopt, kan het zich moeilijk voorstellen, maar rond 1900 leefde daar een deel van de bevolking in armzalige omstandigheden in woningen die ook toen al bestempeld werden als krotten. Om de armoede tegen te gaan, werd daarom op 10 juli 1893 de ‘Vereeniging ter Bestrijding der Bedelarij door middel van Werkverschaffing’ opgericht.

Als ondernemers werkloze arbeiders aan het werk zetten, konden zij zich bij de Vereeniging inschrijven voor een vergoeding van de loonkosten. Die werden gefinancierd uit bijdragen van de rijkere bevolking. Toen het ledental in 1902 daalde van 201 naar 176, bedacht het bestuur een ingenieuze oplossing om toch een constante geldstroom te genereren.

 

 

Bij jaarlijkse betaling van één gulden kregen de Steenwijkers een plaatje om aan de voordeur te bevestigen, zodat bij hen als leden niet meer zou worden aangeklopt door bedelaars. Die werden geacht te snappen dat de betreffende bewoners al een duit in het zakje hadden gedaan voor de armere bevolking… Blijkbaar hadden veel Steenwijkers er graag wat geld voor over om de bedelarij af te kopen, want het ledental van de Vereeniging steeg weer tot, op het hoogtepunt, 300 in 1927.

 

 

Met dank aan Salco Tromp Meesters

Het probleem van de werkloosheid speelde vooral in de wintermaanden, dus richtte de Vereeniging zich op werkverschaffing in die periode. In principe werkte men maximaal twee dagen achtereen. De werkzaamheden varieerden naar gelang het aanbod van zowel de gemeente als particulieren. De voornaamste bezigheden waren het maken van matten, het binden van touw, het maken van vuur en het ophalen van papier. Aan het Steenwijkerdiep werd in 1896 een pand opgericht, dat grotendeels was bekostigd met geld van de in 1895 overleden houthandelaar Salco Tromp Meesters. Het gebouw werd beheerd door opzichter Hendrik Wagter, die tot aan de opheffing van de Vereeniging in 1951 de werkbaas zou zijn.

 

 

Het hele gezin in touw

De ‘thuiswerkers’ mochten het hele jaar door werken, maar kregen daarvoor niet meer dan tien cent per dag. Vooral het touwpluizen was bij hen populair, zoals onder andere blijkt uit een brief van mevrouw Van Dalen. Zij verzocht in 1910 de burgemeester met enig schroom om meer touw, want, liet zij weten, ‘vragen, daar ben wij niet bij opgebracht.’

 

 

Het pluizen was een vies werkje dat thuis kon worden gedaan. De Vereeniging kocht voor de thuiswerkers bijvoorbeeld touw van de Marine, die het na het pluizen weer terugkocht als breeuwwerk: de losgedraaide naden en voegen van schepen af te dichten. Vanwege de teerdampen rezen er steeds meer bezwaren tegen deze bezigheid. In de redenering van het bestuur viel het met de gezondheidsrisico’s overigens nog wel mee, omdat het touw vochtig werd geplozen. De secretaris van de Vereeniging benadrukte zelfs dat de teerlucht juist gezond was. De weduwe P. Leeuwerik had namelijk om meer touw gevraagd, omdat de teerlucht haar borst ‘zo ruim’ maakte.

 

 

Het touwpluizen werd vaak door het hele gezin gedaan. In sommige gevallen hielden ouders hun kinderen zelfs thuis om meer te kunnen pluizen. Als het bestuur er lucht van kreeg dat kinderen om deze of om andere redenen, zoals ziekte van de moeder, of kapotte klompen, niet naar school gingen, was het onverbiddelijk. Bij wijze van straf werd er dan tijdelijk geen touw meer geleverd. Voor dit soort noodgevallen bestond er immers een vereniging voor schoolvoeding en kleding. Ook in geval van dronkenschap of ‘luiheid’, dat wil zeggen in geval van bedelarij, werd de levering van touw voor enige tijd gestaakt.

Naast de Vereeniging

In de loop der tijd vonden vooral oudere en invalide mensen werk dankzij de Vereeniging. Zij vonden het ‘een veilig gevoel’ om op deze manier werkend aan hun inkomen te komen, zonder aan te hoeven kloppen bij het Armbestuur.

 

 

De Vereeniging was niet de enige instantie in de regio die de werkloosheid en armoede probeerde te bestrijden. Vooral in de jaren 1920-1940 werden er grote projecten opgezet, zoals het graven van het Beukerskanaal en het kanaal van Steenwijk naar Ossenzijl. Ook de ontginning rond Giethoorn vond plaats in het kader van de werkverschaffing. Zo losten twee grote problemen van de Kop van Overijssel zich simultaan op: de werkloosheid en de afwatering. Deze projecten waren zo groot dat daarvoor ook arbeiders uit het westen van het land moesten worden aangetrokken.

Opgeheven

In 1951 werd de Vereeniging ter Bestrijding der Bedelarij geheven. Het gebouw aan het Steenwijkerdiep werd verkocht aan de gemeente, waarna het werd gehuurd door de beroemde speelgoedfabriek ’t Poppenrijk. Een deel van het bezit ging naar de vereniging voor wijkverpleging en de rest kwam terecht in een tweetal liefdadigheidsfondsen. Ook opzichter Wagter werd niet vergeten: hij mocht kosteloos blijven wonen naast het gebouw van de werkverschaffing. Hij had op dat moment dan ook 55 van zijn 88 jaar aan de Vereeniging besteed.

 

 

Dit artikel van Lianne van Beek en Marina van der Ploeg is eerder gepubliceerd in Mijn Stad Mijn Dorp Tijdschrift nr. 6 december 2010/januari 2011

Reacties